Patellofemoraal pijnsyndroom

Patellofemorale pijnklachten zijn klachten die waargenomen worden in en rond de knieschijf. Het komt op alle leeftijden voor, maar vooral in de puberteit. De klachten komen vaker voor bij vrouwen dan bij mannen. Bij het buigen en strekken van de knie loopt de knieschijf door een groeve in het bovenbeen. De knieschijf werkt als een soort katrol, waarop met name bij het buigen van de knie grote krachten komen te staan.


Veelvoorkomende klachten zijn pijn aan de voorzijde van de knie bij traplopen, hurken en langdurig met gebogen knieën zitten. Vanwege deze laatste uitlokkende factor spreekt men ook wel van de ‘theaterknie’. Oorzaken Het is niet helemaal duidelijk waarom iemand deze pijnklachten krijgt. De gedachte is dat het komt doordat de knieschijf niet mooi door de groeve in het bovenbeen loopt. Dit kan het gevolg zijn van een afwijkende stand van de benen of voeten, of door zwakke of korte spieren rondom het kniegewricht. Vaak zijn er geen afwijkingen in de knieschijf te vinden en is het irritatie van de structuren rondom de knieschijf die leiden tot de klachten. Dit kan het gevolg zijn van overbelasting. Bij een veel patiënten wordt er geen oorzaak voor de klachten gevonden.

Fysiotherapeutische adviezen obv de richtlijn 2021

Ondanks de beperkingen van de klinische studies lijkt oefentherapie op korte termijn een klinisch relevante verbetering te geven van pijnklachten.


In de klinische praktijk vertonen patiënten met patellofemoraal pijnsyndroom een grote bandbreedte ten aanzien van tekenen en symptomen (klachtenduur, -intensiteit, mate van beperkingen in het dagelijkse leven, coördinatie en kracht van de quadriceps- en

heupspieren). Zo profiteert mogelijkerwijs een patiënt met een hoge klachtenintensiteit én zwakke heupspieren in eerste instantie meer van een pijnvrij en heup-georiënteerd oefenprogramma. Andersom kan een patiënt met een lage klachtenintensiteit en zwakte van de quadriceps profiteren van een quadriceps-georiënteerd oefenprogramma, waarbij “geen toename van pijn na de training of de volgende ochtend” als criterium gehanteerd wordt. De werkgroep is daarom van mening dat keuzes rondom oefeningen, omvang, intensiteit en het wel of niet accepteren van pijn in samenspraak met de patiënt genomen moeten worden.

Een groot deel van de oefeningen kan in eerste instantie worden uitgevoerd zonder begeleidende apparatuur. Bij een sport specifieke opbouw en terugkeer naar de sport zijn wel aanvullende oefenmaterialen nodig.


  • Adviseer de patiënt als basis voor de behandeling van patellofemoraal pijnsyndroom quadriceps- en/of heup-georiënteerde oefentherapie gedurende minimaal zes tot twaalf weken en bij voorkeur onder begeleiding van de fysiotherapeut.


  • Bouw het oefenprogramma gestructureerd op (in omvang en in intensiteit), zorg daarbij voor continue afstemming op de belastbaarheid van de patiënt. Besteed aandacht aan mondelinge en schriftelijke educatie voor de patiënt. Evalueer na zes en twaalf weken de progressie van het oefenprogramma (omvang en intensiteit), pijn (bijvoorbeeld VAS-W) en functie (bijvoorbeeld AKPS) op gestructureerde wijze.