Stands correctie

Een standscorrectie van het onderbeen wordt ook wel een tibiakop osteotomie genoemd. Deze operatie kan worden uitgevoerd als de artrose beperkt is tot één zijde van het kniegewricht. Osteotomie betekent ‘doornemen van het bot’. Door deze operatie wordt de stand van het been veranderd. Hierdoor vermindert de belasting op de plaats van de kraakbeenbeschadiging. Het plaatsen van een totale knieprothese kan door deze operatie worden uitgesteld of worden vermeden.


Operatie techniek

Er wordt een wond gemaakt op het scheenbeen, net onder de knie.

Het onderbeen wordt net onder de knie gedeeltelijk doorgezaagd en de stand wordt gecorrigeerd. Om het onderbeen in deze nieuwe stand te houden moet de stand gefixeerd worden. Dit kan door middel van een plaat met schroeven of door middel van krammen.

De wond wordt gesloten en u krijgt een drukverband om uw been.

De verdoving vindt plaats door middel van een ruggenprik of onder algehele narcose. De operatie duurt gemiddeld één uur.


Nabehandeling

De operatie kan in dagbehandeling of met 1 nacht verblijf in het ziekenhuis. Het ontslag is afhankelijk van de wond, het mobiliseren en hoe u zich voelt. Voor ontslag wordt er nog een rontgen foto gemaakt

De eerste 6 weken mag u maximaal 15% belasten. Dit betekend met 2 krukken lopen of met een looprek

Zes weken na de operatie komt u nogmaals voor controle terug op de polikliniek orthopedie. Er wordt dan ook een röntgenfoto gemaakt. De orthopedisch chirurg zal aan de hand van deze röntgenfoto bepalen of u het been mag gaan belasten.


Litteken 1 jaar na een standscorrectie van het rechter onderbeen.

Rontgen foto van beide benen. Waarbij men kan zien dat de belasting-as. van heup kop naar enkel door de binnenzijde van de knie loopt.

Complicaties

Bij iedere behandeling bestaat de kans op complicaties.

Algemene complicaties:

  • Wondinfectie.

  • Nabloeding.

  • Zenuwbeschadiging. Omdat er sneden in de huid worden gemaakt, kan een huidzenuw beschadigd raken. Dit geeft een doof gevoel in een gedeelte van de huid rondom de wond. Meestal verdwijnen deze klachten in de loop van de tijd vanzelf. Soms zijn ze echter blijvend.


Specifieke complicaties:

  • Trombose. Om de kans hierop zo klein mogelijk te maken, moet u de eerste zes weken na de operatie bloedverdunnende medicijnen gebruiken. Dit gebeurt in de vorm van prikjes, die u zichzelf moet geven. Dit wordt u tijdens de opname geleerd.

  • Overcorrectie.

  • De botdelen groeien niet goed aan elkaar. Een tweede operatie is dan noodzakelijk.

  • Uitval van een zenuw. Hierdoor ontstaat een klapvoet. Deze uitval kan zowel tijdelijk als blijvend zijn.